Werkende armen verenigen

Naar een andere manier om met een armoedevraagstuk om te gaan

Dit najaar is er onder meer bij de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aandacht gekomen voor het vraagstuk van de ‘Werkende armen’. In een recent SCP-rapport is een analyse gemaakt van de problematiek van deze grote groep werkenden die niet voldoende verdienen om rond te komen en in de praktijk onder het minimumloon werken.

De reflex is om deze groep te benaderen als onderdeel van een klassiek armoedeprobleem dat al opgelost is langs de lijn van de gemeentelijke bijstand. Onvoldoende inkomen? Vraag maar een uitkering aan. Principe en praktijk rijmen daar niet mee. Het principe is dat werk moet lonen en dat te snel in een bijstandsuitkering terugvallen daar geen recht aan doet. De praktijk is dat gemeenten deze groep niet goed weten te bereiken en andersom. De beste manier om aan beide bezwaren tegemoet te komen is niet primair langs de weg van geld of overheid, maar door betere manieren te bedenken om op ‘vak’ niveau de werkende armen te benaderen en organiseren. Niet beginnen dus bij de overheid, maar bij de verenigingen zoals wij die al hebben. In deze blog werk ik dat verder uit. Saai en vrij degelijk. Wie iets leukers te lezen heeft, moet dat zeker gaan doen.

SER-aanvraag

De minister heeft bij de begrotingsbehandeling op vragen van de Kamerleden Peters (CDA) en Van Brenk (50+) toegezegd de vraag over de wijze van organiseren van werkende armen door te geleiden richting de Sociaal Economische Raad, de SER. Dat is echt mooi, maar ik ben er niet helemaal gerust op dat die vraag wel op de goede manier beantwoord gaat woorden. Mijn kennis en expertise ligt niet op het terrein van sociale zekerheid, maar van verenigen meen ik wel wat verstand te hebben en juist op dat terrein ligt volgens mij de uitdaging. Het recente mislukken van het pensioenoverleg doet vermoeden dat ook daarbij het mislukken eerder op het niveau van de wijze van organisatie van de achterban moet worden gezocht dan in de pensioenproblematiek op zich. We moeten als het ware opnieuw ontdekken hoe we onszelf in de Nederlandse samenleving organiseren. Ooit hadden we daar krachtige verenigingen voor, maar hun rol is onder druk komen te staan. Dat moet anders.

Werkende armen

Eerst een korte kenschets van de problematiek van ‘werkende armen’. Het is een problematiek die wel eerder in beeld is geweest, maar het SCP-rapport van september 2018, ook kundig verteld door het NRC, laat zien hoe hardnekkig het probleem is. Het SCP spreekt van 320.000 werkende armen, een stijging van 50% ten opzichte van 2001 en die stijging gaat door. Hoeveel het er precies zijn is overigens moeilijk vast te stellen. Slechts een op de drie gemeenten heeft überhaupt werkenden als doelgroep in beeld.

Aan wie moeten we concreet denken? Bij werkende armen kan gedacht worden aan de zelfstandige die een garage begint en er al zijn geld en tijd in investeert, maar eigenlijk te weinig verdient om rond te komen. Denk ook de parttime postbode, de kamerschoonmaakster in het hotel. Vaak hebben ze meer dan één baan, maar het is niet genoeg om rond te komen. Velen hebben een migranten achtergrond, maar lang niet allen. Sommigen hebben nu een geel vestje aan, de meesten voelen daar geen tijd voor.

Van alle redenen waarom de problematiek van de werkende armen hardnekkig is, springen er twee boven alles uit. De eerste is de kwetsbaarheid van de groep. De tweede is het gegeven dat het doorgaans om een meervoudige problematiek gaat.

Voor wat betreft de kwetsbaarheid betreft is het wel oppassen geblazen, want het doet geen recht aan de groep om ze als zielig neer te zetten. Er is wel een groep die volgens het SCP, zoals dat heet, een ‘laag arbeidsethos’ heeft. Maar over het algemeen gaat het om hardwerkende wensen die tegen een stootje kunnen en terecht trots zijn op wat ze doen. De kwetsbaarheid zit vooral in het feit dat ze kostwinnaar zijn en de zorg hebben voor een gezin. Er hoeft maar een wasmachine kapot te gaan en alle mooie plannen kunnen naar de prullenmand. Tijd voor meer dan het werk lijkt er niet te zijn.

Wat de meervoudige problematiek betreft: de problemen met het werk kunnen groot genoeg zijn, maar dit moet ook weer tegen de achtergrond worden gezien van de vraag hoe vaardig men is om in de samenleving overeind te blijven: het percentage dat analfabeet is of een taalachterstand heeft, is verhoudingsgewijs hoog. Om diezelfde reden is het percentage dat gebruik weet te maken van allerlei toeslagen en regelingen weer extra laag. Drempels zijn hoog en vaak onzichtbaar. Tijdens een voorgaande regeringsperiode werd er eens een pot voor armoedebestrijding in het leven geroepen waar 100 miljoen in zat. Daarvan ging 17 miljoen op aan overhead, werd er 40 miljoen door de gemeenten naar hun uitkeringstrekkers gesluisd en bleef het overige deel, bestemd dus voor de werkenden, op de plank liggen. Het werd gewoon niet opgehaald. De doelgroep wist het loket niet te vinden of wilde het niet vinden.

Kern: gebrek aan zelf-organiserend vermogen

De kern van het probleem lijkt daarmee nog eerder het gebrek aan zelf-organiserend vermogen dan het gebrek aan geld. Lidmaatschappen van vakverenigingen zijn er zelden. Het lijkt niet moeilijk te oorzaken daarvoor te noemen. Niet zelden voldoen ze niet aan de eisen voor lidmaatschap of worden de kosten als te hoog gevoeld. Zijn ze wel lid, dan verschijnen ze vaak niet. Domweg omdat ze er de tijd niet voor hebben of in ieder geval niet de tijd om de weg naar invloed te vinden. Maar ook omdat ze niet weten wat een vereniging te bieden heeft in termen van opleidingen, verzekeringen of het samen kunnen mopperen op de boze buitenwereld. Ze weten letterlijk niet wat ze missen.

En laten we wel zijn, ook van de kant van de branche- en beroepsverenigingen zijn er weinig redenen om naar het lidmaatschap van de werkende armen te gaan lonken. Zijn ze mini-ondernemers, dan is het voldoen aan de professionele maatstaven vaak een hele opgave. Eerder worden ze als Beun de Hazen, valse concurrenten, gezien dan als een welkome aanvulling op het verenigingskader.

Schermafbeelding-2018-12-09-om-20.40.43-1024x538

Gaat het om mensen met laaggeschoold werk met een honorering die op of onder Cao-niveau ligt, dan is er ook weinig reden om te gaan lonken naar hun lidmaatschap. Kunnen ze hun contributie wel betalen? Willen we wel aan ondermijning van de Cao meewerken? Niet dus. Daarbij komt, laten we daar ook niet onhelder over zijn, juist bij deze groep relatief vaker problemen voor in de sfeer van misbruik en fraude. Wil je dat naar je toetrekken? Niet snel dus.

Kortom; de lage organisatiegraad is eigenlijk heel logisch als je naar de onderliggende oorzaken kijkt. Ze komt van beide kanten en is mede daardoor behoorlijk hardnekkig. En toch moet er iets gebeuren. De analyse over het gevaar van een te grote afstand tussen onder- en bovenklasse is al voor de gele hesjes vaak genoeg gemaakt en wordt breed gedeeld.

Langdurige inspanning

Wie de geschiedenis van de opbouw van de verzorgingsstaat een beetje doorheeft, weet dat daarvoor veel meer nodig was dan wetgeving en een ontmoeting van werkgevers en werknemers. De rol van branche- en beroepsverenigingen is de onmisbare basis waarop al die andere dingen konden gebeuren. Met alle respect voor vakbonden of werkgeversverenigingen; zij zijn niet degenen die de Vele Kleine Dingen Doen die uiteindelijk een samenleving opbouwen waarin een polder kan gedijen. Het is andersom: eerst is er een basis van mensen die opgroeien in een vak of beroep, daarna komt pas de belangenbehartiging. Die les moet in het achterhoofd worden gehouden als we het hebben over de organisatiegraad van werkende armen. Het slechte nieuws: we hebben het dan over een langdurige inspanningen. Een inspanning die start bij de basis: het werk dat men doet en de vereniging die dat kan organiseren.

Maar in het verleden is het wel gebeurt en we zijn er met z’n allen alleen maar beter van geworden. Het wordt dus tijd om de vereniging als emancipatie-bouwer te herontdekken. Maar dan wel op een slimme manier, anders gaat het niet werken.

Voorstel

Het voorstel dat ondergetekende in een resolutie voor een CDA-congres heeft neergelegd, maar wat niet terug is gekomen in het Kamerdebat – en dus reden voor deze blog, het is niet anders – komt neer op een deal tussen een werkende, de vereniging en sociale partners. De kern is een omkering van de normale gang van zaken. Normaal is dat een werkende beslist om zich aan te sluiten bij een vereniging, contributie betalen en dan te gaan profiteren van de lusten en lasten van wat de vereniging heeft te bieden. De omkering komt vanuit het idee dat hier het de vereniging is die de werkende lid maakt en hem of haar laat deelnemen aan wat de vereniging te bieden heeft. Dus de vereniging heeft een actieve rol, wacht niet af. De vereniging zorgt er ook voor dat het nieuwe lid snapt wat van hem of haar wordt verwacht en zorgt voor de opleidingen en activiteiten die bij het lidmaatschap horen. En dat net zolang tot het lid zelf in staat is om volwaardig lid van de vereniging te zijn.

Collega’s die collega’s benaderen

Nogmaals, dat gaat waarschijnlijk niet vanzelf. Als het makkelijk was, dan werd het al gedaan. Het lijkt logisch voor een branche- of beroepsvereniging een aparte eenheid op te zetten die met leden en medewerkers projectmatig aan de slag gaat. Het idee is dus dat de vereniging potentiële leden, tevens werkende armen, identificeert en een lidmaatschap aanbiedt. Dit gebeurt langs de lijnen van het vak zoals dat wordt uitgeoefend. Het zijn in beginsel collega’s die collega’s benaderen en een aanbod doen. Ontmoeting en opleidingen zijn onderdeel van het aanbod. De vereniging biedt het lidmaatschap gratis aan, het nieuwe lid brengt tijd, energie en aandacht. Gaat het goed, dan heeft de vereniging er op korte termijn een goed nieuw lid aan en het nieuwe lid kan aan zin of haar competenties werken en leren om met lotgenoten op te trekken. Er kan natuurlijk van alles bij en omheen worden gedacht.

Het betekent dus een investering van de kant van de verenigingen. Vanuit hun maatschappelijke taak zou je van veel verenigingen mogen verwachten dat ze de kosten hiervan zelf kunnen opbrengen, maar er is ook een gezamenlijk belang. Een belang dat zich kan vertalen in financiering door sociale partners, inclusief de overheid. Daar zitten uiteraard voorwaarden aan vast. Het belangrijkste lijkt mij te zijn dat gelden gebonden blijven aan het ‘vak’, dat wat de werkende armen nodig hebben om zich op eigen kracht te ontwikkelen en hun trots te behouden.

Peter Noordhoek

Bronnen:

SCP, 2018: Als werk weinig opbrengt. https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2018/Als_werk_weinig_opbrengt

Resolutie CDA Zuid-Holland ‘Werkende armen’, CDA-congres 3 november 2018.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *