Over dijken en dilemma’s

Deze week werd ik gevraagd een gedicht voor te dragen in het kader van de waterschapsverkiezingen. Leuk, zo zei ik. Niet alleen vanwege de uitdaging om daar iets van te maken, maar ook omdat ik wel wat met deze verkiezingen heb. In het verleden heb ik een paar keer de campagnes geleid voor de waterschappen (met vijf waterschappen in de provincie Zuid-Holland geen sinecure) en één keer heb ik ook in het landelijk campagneteam gezeten. Dus ik heb er wel wat mee. En er is nog een andere reden, maar daar kom ik zo op.
Echter, nadat ik had toegezegd kwam er niets fatsoenlijks uit mijn handen. Geen dichtregel werkte, geen idee sloeg aan. En omdat dit niet voor het eerst was bij het thema water, waterschappen of watersnood, ben ik er even goed over gaan nadenken.

Het was deels een worsteling met de schijnbare ‘saaiheid’ van het thema. Ja, er kunnen vreselijke dingen gebeuren met het water, maar concreet lijkt er niets aan de hand dat we niet met een paar miljard aan dijkverhoging kunnen oplossen. De laatste ramp, die van ’53, is meer dan 65 jaar geleden. Boeiend, maar niet heus. Gelukkig het land dat voor een spannend verhaal moet teruggrijpen op iets dat zolang geleden is gebeurd, maar voor campagnes, verhalen en gedichten is die saaiheid geen zegen.
Voor een ander deel heeft die blokkade juist met de ramp van ’53 te maken. Er is toen iets gebeurd in het dorp waar ik ben opgegroeid, ‘s-Gravendeel, en waar eigenlijk nooit over werd gesproken. Het gaat over een besluit dat toen met de beste bedoelingen is genomen, maar letterlijk rampzalig heeft uitpakt. De dreiging van doorbraak bij één dijk was zo groot dat besloten werd een wijk te ontruimen en de mensen naar een veiliger geachte binnendijk te evacueren.  Destijds heeft niemand officieel voor dat besluit moeten boeten, maar als het vandaag de dag zou zijn gebeurd, hadden we de betrokkenen onmiddellijk de schuld gegeven, al was het maar via onze social media. Ik ben van kort na ’53, maar ben wel opgegroeid in het doktershuis waar het halve dorp tijdens de ramp naar toe is gevlucht. Geleidelijk kwam ik achter die toedracht, maar wat moest ik ervan maken? Zoals ik er nu aan denk, vind ik de schuldvraag niet meer aan de orde. Veeleer moeten we een kennisvraag stellen: weten we wel genoeg in ten tijde van een ramp met het water (of het klimaat) juist te handelen? Een gruwelijke inschattingsfout als toen zullen we nu niet meer maken, gelet op de kennis van nu? Maar welke nieuwe fouten gaan we maken terwijl de kennis om ze te voorkomen er al is? Hoe gaan we om met de klimaatdilemma’s van morgen?

Dat alles is niet simpel om in een gedicht te vangen. Ondanks dat ik veel over de ramp heb geschreven en die kennis weer bruikbaar heb gemaakt in campagnes, lukte het in ieder geval niet. Tot vorige week dus. Na een paar pogingen kwam er een ‘dichtverhaal’ op gang, geschreven in twee delen. Het is gedaan in de vorm van een verslag van een gesprek dat nooit heeft plaatsgevonden, met personen die er nooit zijn geweest. Dat heeft mij de vrijheid gegeven het zo te schrijven dat de lezer waarschijnlijk denkt dat het precies zo moet zijn geweest. Uw gewaardeerde aandacht graag.

 

De Dijk

“De dijk”, zo zei ze, heel veel later,
“slingerde als een slang” en ze beschreef hoe
de bomen onderin het scherp talud
meebogen met de storm als in gebed
En hoe de wijk De Nest genegen leek om,
als een kam vol lange, smalle huisjesharen,
voor houvast op te kijken naar die hoge buitendijk
maar dat daar juist het stormwater al dreigend
over de kruin heen naar beneden leek te komen.

“Het ging niet meer”, zo vervolgde zij,
“in de ogen van de hoge heren.
Dijkgraaf, burgemeester en politieman:
’t zou duidelijk zijn wat er van kwam.
En dus kwamen buren langs om,
helemaal verschrikt, te zeggen dat
iedereen verderop naar de Molendijk,
een binnendijk, veilig, moest vertrekken

“Vraag niet hoe”, zei ze, naar haar handen kijkend,
“maar zo is ’t gegaan”, en zijn ze met z’n allen
Naar oom Piet en tante Sjaan op de dijk vertrokken en
zich met tassen en bedgoed in hun huisje laten proppen
“Niemand kon nog slapen, ’t was zo’n lawaai,
Maar we waren toch wel blij dat we ’t hadden gedaan.
Totdat opeens het van de Puttershoekse kant
ging klinken: Het water, het water komt eraan!

Toen stroomde opeens zwart water het huisje binnen
en werd gelijk, als ’t ware, dat huis in brokken
van achteren van de dijk getrokken
En overal klonk gegil, gegil,
zo da ’k ‘t nog altijd horen kan als ik dat wil, wat ik niet wil
En overal langs de dijk heeft ons toen
de ramp getroffen
En dat maakt mij nu even stil”

“Vraag ook niet hoe”, vervolgt ze later,
“hoe ik toch weer op ’t droge ben gekomen.
’t Was bij het huis van d’n dokter
dat ik weer droge voeten vond.
En er ook mijn broertje weer vond.
Maar mijn zusje was verdwenen
en mijn beide ouders ook.
Drie van twee-en-dertig die er aan
de Molendijk, die binnendijk, verdronken
En iets van mij toen ook.”

= o = o =

“Niet alles wat ze zegt is zo gegaan”, zegt
haar dochter, ver genoeg van haar moeder vandaan
“Een deel is wat anderen vertelden” zegt
ze, wetend hoe het geheugen werkt.
“En een deel is wat we nog altijd niet kunnen
of willen begrijpen”, zegt ze, terwijl haar ogen
strak in de mijne kijken.

“Denk aan die dijkgraaf, burgemeester en politieman.
Hoe fout we ze nu zouden vinden, hoezeer iets dat niet kan.
Hoe hun opdracht iedereen de dood in joeg
die om niets anders dan bescherming vroeg
Toen ten onrechte beschermd door hun gezag
en door wat men toch niet weten mag
In tijden van nu waarschijnlijk snel veroordeeld
met een tweet en eeuwige schande in ’t verschiet.”

Ze schudt het hoofd, maar wordt dan erg concreet:
“De buitendijk had wel degelijk kunnen bezwijken
Maar weet je? Water zoekt altijd het zwakste punt.
Niet het sterkste.
Reden waarom de dijken meest aan de
oostkant van de eilanden zijn bezweken.
Het verste van de storm, dus
daar waar niemand hoefde te waken.
We weten nu dat zodra de dijken aan de achterkant faalden
de mensen aan de hoge dijk verder hadden kunnen slapen.”

De dochter, geleerd uit Delft teruggekomen,
vervolgt met zachte stem, maar wel verstaanbaar:
“We bouwen vaak op het misverstand dat
onze dijken ons beschermen
Terwijl we op niets anders kunnen bouwen dan ons verstand
En door niets voor vanzelfsprekend aan te nemen
En zelfs dat niet.

Binnendijken kunnen buitendijken worden en andersom
Zonder waakzaamheid en gedrevenheid
maken ze ons alleen maar lui en dom
En zoals met het water is, zo is ’t met het klimaat
en alles wat ons aan vanzelfsprekendheden bindt
Als we niet af en toe over onze rampen praten
worden we ziende blind.”

Voordat ze weer naar haar moeder ging
heeft ze me nog even aangekeken,
zo van: “Heb je het begrepen?”
Maar ik weet niet of ik het begrepen heb
Ik weet alleen dat ik het begrijpen wil
hoe we in ieder geval voorkomen
wat voorkomen zou kunnen worden.
Want heel veel van de gevaren zijn nu al bekend
en aan een ‘Had ik maar’ raak je nooit gewend.

 

Peter Noordhoek 2019

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *