Stille generaties

Vanavond laat ga ik naar radio 538. Ze zijn in Gouda voor een evenement. Het doel is om geld in te zamelen voor War Child. Namens een club mag ik ook een bedrag schenken. Dat klinkt belangrijk, maar eerlijk gezegd wist ik niet waarvoor ik gaf. Er zijn teveel goede doelen. Nu weet ik weer waarom. Dit is geen blog, maar een uit de hand gelopen boekbespreking. Nogal persoonlijk van aard. Het gaat over stille – en luide – generaties.

Mom

Ik bladerde het reclameblaadje voor de Boekenweek wat lusteloos door. Ik loop nogal achter in het lezen en dan roept zo’n blaadje meer frustratie dan plezier op. Ik zag een boek over de tweede wereldoorlog langs komen. Oranjehotel, kamp Amersfoort. Nee, weet ik al. Genoeg over WOII. Ik had de bladzijde al omgeslagen toen ik me realiseerde wat ik had gemist. De naam van de auteur. Heb ik het goed gezien? Jawel. ‘E.P. Wellenstein’. ‘Mom’ Wellenstein. Maar hoe oud is hij? Toch dik in de negentig? En dan een nieuw boek? Ik bladerde terug.

En het klopt. Mom Wellestein is niet zo bekend als bijvoorbeeld Hannie van Leeuwen, maar dat is ten onrechte. Zo oud als hij is, elke keer als ik hem nog mag horen sta ik versteld van de scherpte van zijn analyses en zijn woorden. Op internationaal terrein doorziet hij alles – niet helemaal een wonder, als je beseft dat hij samen met Kohnstamm en Mansholt een van de grondleggers is van de Europese gemeenschap. Maar wat heeft hij met de tweede wereld oorlog? Veel, naar blijkt. In ‘Nummers hebben een ziel’ beschrijft hij de tijd dat hij op jonge leeftijd eerst in de gevangenis in Scheveningen (‘hotel Oranje’) terecht kwam en daarna op transport naar kamp Amersfoort werd gezet. Het is een ooggetuigenverslag van de gruwelen van beiden en dan vooral van kamp Amersfoort. En daarin ligt dan ook de reden voor het boek. Hij schreef dit verslag nog in de oorlog, wetend dat wat hij had gezien en meegemaakt, maar door heel weinig mensen kon worden naverteld. Op deze manier wilde hij zoveel mogelijk mensen informeren over de gruweldaden die de Duitsers uitvoerden. Van het manuscript werden slechts een paar kopieën gemaakt en die gingen rondzwerven. Tegen het einde van de oorlog kon echter niemand deze manuscripten nog achterhalen. Het boek was zoek. Pas onlangs is er een exemplaar boven water gekomen en dat is de aanleiding voor de publicatie.
Ik heb het boek in één zitting uitgelezen. Met de titel verwijst hij naar de nummers die de gevangenen hebben. Mom is zelf nummer 46. In het boek beschrijft hij vele nummers en laat zien dat achter elk nummer een andere persoon schuilgaat, een andere ziel, een ander karakter. Het is dat karakter dat bepaalt of er gebogen, gebroken of verraden wordt. Want (bijna) niemand kan recht blijven onder de druk van de omstandigheden in het kamp. Met de bewakers kan je het treffen of niet, maar aan iets als Honger ontkomt niemand. Zelden heb ik iemand gelezen die zo indringend schrijft over het effect:

“Maar nu komt de Honger: de zwakke geluiden die onder normale omstandigheden door het lichaam in de geest worden teweeggebracht, zwellen aan tot één alles overheersende toon. De hele geest gaat meeleven met het lichaam, de mens wordt zich van zijn fysiek bestaan steeds sterker bewust. Niet af en toe, maar ononderbroken, in zijn slaap, onder het praten, onder het denken, altijd en altijd door zonder ophouden trekt zijn lichaam zijn aandacht.”

En zo gaat hij door, minutieus illustrerend en beschrijvend wat Honger teweegbrengt, tot op en over de grens dat zijn lichaam het nog houdt. Hongeroedeem en difterie brengen hem op de uiterste grens, totdat iemand hem helpt en hij gamellen mag gaan transporteren. De voedselresten die nog in deze voedselketels zitten helpen hem er doorheen. Heftig, en toch is dit niet wat mij het meeste is bij gebleven. Dat is een andere uitspraak van hem: “wij hebben geleerd van binnen te leven.” Ook een jonge man als Mom, van nature een en al positieve energie, weet dat hij het zonder stilte niet redt. En dat brengt me bij een ander boek.

Piet

Het gaat niet om een ‘echt’ boek. Je kan het in geen boekhandel kopen. Het is in eigen beheer uitgegeven, in een beperkt aantal exemplaren. De schrijver heeft het in zijn bescheidenheid niet eens aangeboden voor publicatie. En dat is zo, zo zonde. De exemplaren die er zijn, gaan vanaf 2009 van hand tot hand en zo heeft er ook een mijn hand bereikt. In ‘Gaandeweg’ doet Piet van Herwijnen ons een bundel familieverhalen en persoonlijke herinneringen toekomen. Van vaders zijde wordt de familie Herwijnen beschreven, van moederszijde wordt de familielijn Van der Giessen nagetrokken. Zo rijk als zeker de laatste naam klinkt, zo arm is de werkelijkheid van beide families lang geweest. Beide familielijnen komen bij elkaar en tot leven in de beschrijvingen van Piet, met Dordrecht en de Alblasserwaard als bepalende achtergrond. Met de families zelf heb ik niets, Piet van Herwijnen heb ik nooit ontmoet, al vind ik het interessant dat hij op dezelfde middelbare school in Dordrecht zat als mijn ouders en ikzelf – voor korte tijd, tot ik overladen met onvoldoendes de blik moest richten op een andere middelbare school. Maar dat is allemaal terzijde.

Wat de beschrijvingen van Herwijnen zo de moeite waard maken zijn de terzijdes waarin hij in een paar zinnen een tijd weet te schetsen als geen ander. Hij weet de geschiedenis van zijn familie en hemzelf zo in context te plaatsen dat je voor de tijd komt te staan en zegt: zo was het. De Herwijnens en Van der Giessens waren ‘kleine luyden’. Ze werden uit agrarische tijden zo in het industriële tijdperk gelanceerd, met niets anders dan het geloof om zich aan vast te houden. Een geloof dat zichzelf tegelijk vernieuwde en verscheurde, van de Doleantie en Afscheiding van begin 19e eeuw tot en met de honderden kerkgemeenschappen in de vijftiger jaren, de ene nog strenger dan de andere. Ondertussen was werk alles. De deugden stonden veel dichter bij dat werk dan nu en waren ook de verklaring voor eindeloze verschillen in maatschappelijke afstand. Zo was het in 1908 heel bijzonder dat Neeltje van Herwijnen in het wit mocht trouwen, want dat was echt een indicatie van maatschappelijke stijging. Arbeidsmeisjes trouwden in het zwart, bruiden uit de middenstand in het grijs.  Van Herwijnen beschrijft het met warme afstand zolang het nog niet over zijn eigen tijd gaat. Daarna kruipt er een angst in zijn pen. Hij is kritisch naar zijn eigen familie toe, naar zichzelf. Een gereformeerde zwaarmoedigheid is hem niet vreemd, ook al beschrijft hij tegen het einde hoe hij de moderne tijd in gezogen wordt en zoals velen, maar dan langzamer, los van kerk en vaste waarden komt te staan.

Onvermijdelijk leidt de familiegeschiedenis ook langs de tweede wereldoorlog. Weinigen weten dat Dordrecht het toneel is geweest van sommige van de heftigste gevechten in de meidagen van 1940. Hij beschrijft het begin van de oorlog meeslepend. Net zoals hij schrijnend beschrijft hoe een oorlog niet afloopt als er ergens een overgave is getekend en overal nog onontplofte munitie ligt. Piet is 4 als de oorlog begint en toch beschrijft hij zich niet als een oorlogskind. In onze moderne ogen heeft hij heel veel meegemaakt, maar zelf suggereert hij: niet al te veel. Er was honger, maar er was nooit niets. Ze schuilden met z’n allen onder de trap tegen de bommen, maar hun huis werd niet geraakt. Hij zag de wanhoop bij zijn ouders, maar voelde die niet zelf. Als hij zijn dominante herinnering beschrijft, dan is het deze: hij hoefde niet meer elke dag naar school. Wat heerlijk. De oorlogsjaren kenden gevaar, maar waren ook ‘oer en oer gezellig’. Voor hem komt het daarna. Hij zegt het zo:

“Elk mens wordt geboren in een bepaalde tijdsperiode. Omvat die periode vele tientallen jaren, dan ondergaat zo’n mens alleen de invloed van die periode. Volgen de perioden elkaar echter in hoog tempo op en duren zij niet langer dan een handvol jaren, dan kan je zeggen dat het kind voor de voorafgaande periode te laat en voor de daarop volgende te vroeg op de wereld kwam.”

Zo beschrijft hij zijn eigen generatie. Ze hebben niet gevochten in de oorlogsjaren en toen de wederopbouw begon, zaten zij in de schoolbanken. De generatie van hun ouders ontleende een ‘wij’ gevoel aan de vooroorlogse jaren. De generatie er na erkende de oorlog en verzette zich er tegen. Deze generatie “liet de geschiedenis beginnen op het moment waarop zij zelf het levenslicht zag en ontleende daar een ‘wij’ gevoel aan.” Zijn generatie kende geen ‘wij’ gevoel. Het was een generatie eenlingen. Een stille generatie.

Wijnand

Een stille generatie. Zonder eigen verhaal, maar ook zonder het verhaal van anderen. Over de oorlog werd niet gesproken. De oorlog had het effect van een diaspora. Mensen raakten op drift. Bij terugkeer in het eigen land, in de eigen plaats, was er geen warme ontvangst. Bijna niemand vroeg: “Wat is je overkomen?” Integendeel. Of je nu uit een fabriek in Duitsland kwam, een platgebombardeerde stad als Arnhem of een sanatorium op de Veluwe kwam; je had het er niet over.
Mijn vader, Wijnand Noordhoek, zat op hetzelfde Christelijk Lyceum als Piet. Hij was een stuk ouder dan de anderen in zijn klas. In ieder geval een stuk ouder dan mijn moeder, al zat die maar een klas onder hem. Hij had veel in te halen. Samen met zijn moeder en broers was hij gerepatrieerd uit Nederlands Indië. Een kind uit de Jappenkampen. Op de jongste na, werden alle kinderen over verschillende kampen verspreid. Opa overleefde de oorlog niet. Voor zover ik weet vertelde hij over dat alles niets. Hij leerde hard. Een stille, knappe jongen. In recordtijd maakte hij zijn middelbare schooltijd af, ging daarna medicijnen studeren en koos uiteindelijk voor een rol als huisarts. Na zijn afstuderen kon hij eindelijk trouwen met mijn moeder.
Mijn vader was letterlijk en figuurlijk een sterke man, maar ook stil en mild. Pas in zijn laatste jaren doorbrak hij die stilte. Zeker in het licht van de beide boeken, begrijp ik nu hoe moeilijk dat moet zijn geweest. Hij was dubbel stil. Hij was net als Mom naar binnen gegaan in zijn jaren in het kamp. Ook daar was de Honger en hield hij zichzelf, vriend en broer in leven met het rondbrengen van gamellen waterige soep. Ook daar was de terreur en stond alles in het teken van overleven. En hij was net als Piet van Herwijnen lid van de stille naoorlogse generatie; niet in staat tot vechten, verplicht om weer kind te zijn en onderin te beginnen met school. Toch verhief hij zijn stem niet in protest. Integendeel. Toen keizer Hirohito het land wilde bezoeken en Wim Kan het protest leidde, was hij naar ons, zijn kinderen toe, van mening dat hij gewoon ontvangen moest worden. Het leven gaat door, zo zei hij.

Mom beschrijft zijn naar binnen gaan simpel als een noodzaak. Piet is er zwaarder over. Hij definieert de stilte als een gemis, een gemis voor zijn hele generatie. Hoe mijn vader zijn stilte ziet, kan ik niet meer vragen. Ik weet wel dat hij in zijn leven steeds vooruit heeft gekeken. Hij was meer dan een huisarts, zorgde er eigenlijk voor dat een heel dorp de sprong maakte van een verstarde, verzuilde gemeente naar een gemeenschap die klaar was voor de moderne tijd. Een stille kracht.

Peter

Zo dadelijk ga ik naar een evenement van radio 538 toe. Ze zijn op locatie, in mijn Gouda. Het gebeurt voor War Child. Het geld gaat naar oorlogskinderen toe. Het is nog steeds nodig. Maar niet meer op ons continent, Europa. Niet in ons land, Nederland. Mom, Piet, Wijnand en al die anderen oorlogskinderen uit de stille generatie hebben hun werk gedaan en goed gedaan.
Radio 538 is van de generatie van nu. Van de facebookers, twitteraars en de games. Geen slechte generatie, ze dragen vol bij aan War Child. Cool. Ze zijn de erfgenamen van eerdere generaties, ook de mijne, die hechten aan het alles kunnen zeggen, de geluidsknop hoog te kunnen zetten en zich ongemakkelijk voelen als er stiltes vallen. De luide generaties.
Waarbij wij tot slot bij mijn zorg komen. Een zorg dat er een nieuwe stille generatie aankomt. Een crisisgeneratie, waarbij de ouders naar buiten toe zeggen ‘goed’ als hun gevraagd wordt hoe het gaat – en stil vallen als er wordt doorgevraagd. Langzaam maar zeker voel ik het stil worden om mij heen. Begin ik te verlangen naar het geruis van bedrijvigheid om mij heen. Wil ik daar wat aan doen. Geluid maken, herrie maken. Melden dat ik er ben. De zorgen overschreeuwen.
Toch maar niet. Het gaat niet om stil vallen, maar om stil zijn. Luisteren naar wat geen groot volume nodig heeft. Ook in deze digitale tijden blijft dat waar. Tijd om de stilte te zoeken. Om naar binnen te gaan – en dan weer van me te laten horen.

Peter Noordhoek

www.northedge.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *